Hoofdgedeelte van de display
164 PM5D/PM5D-RH V2 / DSP5D Gebruikershandleiding Gedeelte Naslagwerk
PRESENT TIME
Geeft de huidige tijd aan. De tijd kan worden
opgegeven in het scherm PREFERENCE 1 van de
functie UTILITY.
TIME CODE
Geeft de interne tijdcode aan die wordt gegenereerd
door de MP5D (machine 1) of de tijdcode die wordt
ontvangen van een extern apparaat. Dit is hetzelfde als
de tijdcode die wordt weergegeven in het scherm
EVENT LIST van de functie SCENE.
• CASCADE/Fs
Geeft de master/slave-status aan wanneer een
cascadeverbinding wordt gebruikt, en de
samplefrequentie waarmee het PM5D-systeem
momenteel werkt.

EMETER SECTION

Geeft het type aan van kanalen die momenteel worden
weergegeven door de meters linksboven en rechts op
het paneel. U kunt ook op de knoppen / klikken
om dit rechtstreeks te schakelen.

FEVENT-indicator

De EVENT-indicator wordt hier weergegeven als de
knop ENABLE [ALL MANUAL] of ENABLE is
ingeschakeld in het scherm EVENT LIST van de
functie SCENE.

GFADING/TRACKING-indicator

In dit gebied wordt de FADING-indicator weergegeven

wanneer de fadetijd wordt uitgevoerd, of de

TRACKING-indicator als Tracking Recall beschikbaar

is. Als beide zijn ingeschakeld, heeft FADING voorrang.

HLCR/LCR [B]-indicator

Als er ten minste één kanaal is waarvoor LCR is
ingeschakeld, wordt de LCR-indicator hier
weergegeven.
Als in het scherm MIXER SETUP van de functie SYS/
W.CLOCK de instelling STEREO B van BUS SETUP is
ingesteld op USE AS CENTER BUS, wordt hier de LCR
[B]-indicator weergegeven.

ITB/OSC/DIMM-indicator

Als talkback, oscillator of dimmer zijn ingeschakeld,
wordt de respectieve indicator TB/OSC/DIMM hier
weergegeven. Als meer dan één van deze drie zijn
ingeschakeld, is de weergaveprioriteit
TB>OSC>DIMM.

JSOLO/INPUT CUE/DCA CUE/OUTPUT CUE/

KEY IN CUE/EFFECT CUE/EXTERNAL CUE-

indicator

Als Solo of Cue Monitor is ingeschakeld, wordt de
overeenkomstige indicator hier weergegeven. Als er
meer dan één Cue is geselecteerd, wordt alleen de
indicator voor de momenteel geldige Cue weergegeven.

KBUSY/RS422/HA/GPI/MIDI-indicator

De BUSY-indicator wordt hier weergegeven als het
interne geheugen of een pc-kaart in de kaartsleuf wordt
gebruikt. Als er RS422/HA/GPI/MIDI-signalen worden
ontvangen (in het geval van RS422 wanneer Status
wordt ontvangen die een statuswijziging op een
aangesloten apparaat aangeeft), wordt de
desbetreffende indicator kort weergegeven.
Als meerdere van deze omstandigheden zich tegelijk
voordoen, is de weergaveprioriteit
BUSY>RS422>HA>GPI>MIDI.
Opmerking
In het geval van MIDI-signalen, gaat de indicator branden als
er signalen worden ontvangen bij de MIDI-connector, de USB-
connector of sleuven 104. Bij active sensing, MIDI clock en
kwarttijdcodeberichten gaat de indicator echter niet branden.
Hoofdgedeelte van de display

ATabbladen

Klik in dit gebied om te schakelen tussen schermen
binnen de geselecteerde functie.

BFunctieparameters

In dit gebied worden parameters weergegeven voor de
momenteel geselecteerde functie of het momenteel
geselecteerde scherm.
Onderste gedeelte van de display (altijd zichtbaar)

ASELECTED CH (Selected channel)

Geeft het type en naam aan van het kanaal dat
momenteel is geselecteerd met de [SEL]-toets. U kunt
ook de cursor verplaatsen en aan de [DATA]-encoder
draaien om dit rechtstreeks te wijzigen.

BMACHINE ID

Als de DSP5 een cascadeverbinding heeft, geeft dit het

nummer 1–3 van de machine (PM5D of DSP5D) aan

die wordt geregeld vanaf het paneel. U kunt ook de

cursor verplaatsen en aan de [DATA]-encoder draaien

om dit rechtstreeks te wijzigen. Als u overschakelt naar

een andere machine, worden de

schermachtergrondkleur en het voortdurend

weergegeven scherm (met uitzondering van de tijdcode)

ook gewijzigd in de instellingen van de machine die

wordt geregeld. De schermachtergrondkleur kan voor

elke machine worden opgegeven in het scherm

PREFERENCE 2 van de functie UTILITY. De indicator

boven gaat alleen branden voor het id-nummer van de

machine met een cascadeverbinding.

CMIX SECTION

Hier wordt de encodermodus aangegeven die
momenteel is geselecteerd in het gedeelte MIX. In de
modus MIX SEND wordt hier "SEND" aangegeven, in
de modus MIX MASTER wordt "MASTER"
aangegeven en als er een snelhandeling is gebruikt om
de modus TO MATRIX te selecteren, wordt "TO
1
2

5 6 7 9

1 32 4

8